Basisprincipes van de voeding voor de hond


Inleiding
Van oudsher zijn hondachtigen voornamelijk carnivoren (vleeseters). Een kleiner deel van het dagrantsoen kon bestaan uit plantendelen of de plantaardige inhoud afkomstig uit de magen van prooidieren. De hond die als huisdier door de mens wordt gehouden at vroeger tafelresten en tegenwoordig eet de overgrote meerderheid van de honden brokken of een diner. In de laatste 15 jaar heeft de voeding van hond en kat een enorme verandering ondergaan. De kennis nam toe en voeding werd steeds meer gedifferentieerd. Om de effecten van de voeding goed te kunnen begrijpen is enige kennis van de anatomie en fysiologie onontbeerlijk.

Anatomie en fysiologie van het spijsverteringskanaal van de hond
Opgenomen voedsel wordt door de hond meer of minder gekauwd. Tijdens het kauwen wordt het verkleind en bevochtigd met speeksel. Het speeksel van de hond bevat geen verteringsenzymen zodat de werkelijke vertering nog niet begint. Na het doorslikken gaat het voedsel via de slokdarm (oesophagus) naar de maag waar het wordt vermengd en gekneed met maagzuur, één van de spijsverteringssappen. Het maagzuur bewerkt de aanwezige eiwitten in de voeding en is in staat om een groot aantal, mogelijk schadelijke micro-organismen, te doden. Als de voedselbrij voldoende is doorkneed en aan een aantal chemische eigenschappen voldoet ontspant de sluitspier (pylorus) van de maag zich en passeert het voedsel naar de twaalvingerige darm. De twaalvingerige darm is het eerste deel van de dunne darm. Hier komen belangrijke spijsverteringssappen zoals gal en de sappen van de alvleesklier (pancreas) bij de voedselbrij. De galsappen helpen bij de vetvertering en de sappen van de alvleesklier bevatten veel enzymen die helpen bij de vertering van koolhydraten en eiwitten. Enzymen zijn stoffen die door het dier zelf gemaakt worden en die helpen bij het tot stand komen van chemische omzettingen. Aan de dunne darm zijn achtereenvolgens nog het jejunum, het ileum en het coecum (blinde darm) te onderscheiden. De wand van de dunne darm bevat cellen die spijsverteringssappen afgeven. De wand is enorm geplooid om een groot oppervlak te creëren waar bacteriën, die helpen bij de spijsvertering, en enzymen plaats vinden om aan te hechten. In de dunnedarm vindt de eigenlijke vertering plaats en worden de voedingsstoffen tot kleine opneembare delen "geknipt". Na opname door de darmcel wordt de voedingsstof weer afgegeven aan het bloed die de voedingsstoffen naar de lever vervoert. De lever regelt als een soort verkeersagent wat er met de verschillende opgenomen voedingsstoffen moet gebeuren en waar ze naar toe moeten. De dikke darm (colon) volgt op de dunne darm. De belangrijkste functie hier is het terugwinnen van water uit de voedselbrij. Via de endeldarm (rectum) gaat de darm over in de sluitspier (anus).

Voeding
De voeding omvat vele nutriënten die echter in 6 belangrijke groepen zijn onder te verdelen: eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen, vitaminen en water. Zonder water is leven onmogelijk, water bevat in principe geen extra nutriënten tenzij bronwater gebruikt wordt, dit kan rijk zijn aan bepaalde mineralen.

Eiwitten
Eiwitten zijn te beschouwen als een kralensnoer, opgebouwd uit verschillende aminozuren (de kralen). De hoeveelheid en de soort aminozuren bepalen de eigenschappen van het eiwit. Belangrijk voor de opbouw van weefsels is de aanwezigheid van stikstof in alle aminozuren. Eiwitten vervullen vele functies in het lichaam, het zijn belangrijke bouwstoffen van weefsels, hormonen en enzymen. Verder vervullen ze een belangrijke rol bij onder andere: de waterhuishouding, de afvoer van giftige stoffen en het in stand houden van een goede afweer. Eiwitten kunnen zowel van plantaardige (granen, peulvruchten, biergist) als dierlijke (vlees, vis, gevogelte, eieren) herkomst zijn. De minimale behoefte voor een volwassen hond in onderhoudssituatie bedraagt minimaal 15% eiwit in de droge stof (NRC 1985). In werkelijkheid ligt dit gehalte een stuk hoger wil men het optimum bereiken voor een goede gezondheid, maximale prestaties en een fraai uiterlijk. Het maximum ligt bij een eiwitfractie van 43% omdat hierboven geen stikstof meer kan worden opgenomen in de weefsels. Het verhaal dat veel eiwit slecht is voor honden is allang achterhaald. Dit was gebaseerd op onderzoek bij ratten maar eind 70-er jaren is al aangetoond dat de nierstofwisseling bij honden niet zo gevoelig is als die bij de rat. Sinds 1993 weten we ook zeker dat eiwitten geen schadelijke invloed hebben op de groei. Integendeel; eiwitten, samen met gerichte beweging, dragen bij aan een gezond spierstelsel wat zorgt voor een stabilisering van het skelet. Van zeer groot belang bij aandoeningen zoals heupdysplasie bijvoorbeeld. Veel eiwit draagt juist bij tot een betere gezondheid. Tekorten leiden tot bloedarmoede, een lagere weerstand, verlies van spierweefsel, etc.. Een tekort wordt niet alleen veroorzaakt door een onvoldoende opname maar kan ook door een verhoogde afbraak optreden. Vele vormen van stress (belasting van het individu, geestelijk of lichamelijk) kunnen dit veroorzaken. Het is nog niet duidelijk vast komen te staan wat de invloed is van de soort of hoeveelheid van een eiwit op het gedrag.

Vetten
Veruit de belangrijkste functie van vetten is het leveren van energie. Daarnaast zijn het de leveranciers van de onverzadigde vetzuren (ovz). Vetzuren vervullen belangrijke functies in het zenuwstelsel en onder andere bij de stofwisseling van de huid. Vetten in de voeding zijn zeer goed verteerbaar voor de hond, in het algemeen wordt 95 - 98% verteerd. Honden hebben, net zoals de mens een voorkeur voor vet in de voeding het wordt daarom vaak als "smaakmaker" in de voeding toegepast.

Koolhydraten
Koolhydraten zijn altijd afkomstig van plantaardig materiaal. Zetmeel en suiker zijn bekende voorbeelden van koolhydraten. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen verteerbare koolhydraten (zetmeel, kleine suikers) en niet-verteerbare koolhydraten (cellulose, pectine) afkomstig van plantaardige celwanden en vezels. Koolhydraten bevorderen het transport van de voedselbrij in de darm (de darmpassage) door stimulatie van de darmwand. Als nadeel vergroten zij de hoeveelheid ontlasting, ook al omdat ze behoorlijk wat vocht vasthouden. Een tussenweg zijn de voedingsvezels die in het grootste gedeelte van de darm de functie van vezel vertonen en op het laatste moment in de dikke darm worden afgebroken door bacteriën in producten die voor een deel weer als voedingsbron dienen voor de dikke darmcellen. Bietenpulp is hier een voorbeeld van.

Mineralen
Mineralen spelen wat betreft hoeveelheid een geringe rol maar ze zijn absoluut onmisbaar. Juist omdat het om kleine hoeveelheden gaat zijn fouten makkelijk gemaakt. Mineralen worden onderverdeeld naar macro- en micromineralen oftewel de sporenelementen. Calcium (Ca) en Fosfor (P) zijn bekende macromineralen. Zij vervullen een belangrijke rol bij de opbouw van het skelet en moeten, afhankelijk van het fysiologisch stadium, in een vaste onderlinge verhouding in de voeding aangeboden worden. Als fosfor van plantaardige afkomst is kan deze vaak niet worden opgenomen uit de voeding omdat dit fosfor in een niet opneembare vorm (phytaat) is vastgelegd. Andere belangrijke macro-elementen zijn: Magnesium (Mg)(skelet, enzymen), Natrium (Na), Kalium (K) en Chloor (Cl). Enkele voorbeelden van micro-elementen zijn: IJzer (Fe)(bloed, zuurstoftransport), Koper (Cu)(pigmentvorming, bloed), Zink (Zn)(enzymen, huid), Mangaan (Mn)(enzymen), Jodium (I)(schildklierhormoon) en Selenium (Se)(spierweefsel, antioxidant).

Vitaminen
Vitaminen kunnen zowel van plantaardige als dierlijke herkomst zijn. Het is gebruikelijk om vitaminen onder te verdelen en wel in wateroplosbare- en wateronoplosbare vitaminen. Ook vitaminen zijn slechts in kleine hoeveelheden nodig en een aantal kan de hond zelf maken. Enkele belangrijke vitaminen zijn hieronder met hun functie weergegeven.

De belangrijkste functies van enkele vitaminen


Energiebehoefte
Alle processen in het lichaam vereisen energie. Deze energie wordt verbruikt bij het onderhoud van de lichaamstemperatuur, het produceren van weefsels en bijvoorbeeld het leveren van arbeid. Deze benodigde energie moet worden aangeleverd door de voeding. In principe eet een hond totdat aan zijn energiebehoefte is voldaan. Echter door oorzaken zoals verveling, voerregime en smakelijkheid van het voer zijn er veel honden die meer dan de gewenste energiehoeveelheid opnemen en zodoende vervetten en toenemen in lichaamsgewicht. Het is verstandig om de voedingsconditie van uw hond regelmatig te controleren. Een hond zal reserves in de vorm van vet opslaan op de ribwand. U moet gemakkelijk de laatste 2 ribben kunnen zien bij een kortharige hond en bij een hond met een dikke vacht moet u gemakkelijk de ribben kunnen voelen. U begint met de aangegeven hoeveelheid van de verpakking en door de hond 1 maal per week te controleren kunt u deze hoeveelheid aanpassen: wat meer als u de ribben te duidelijk gaat voelen, wat minder als u de ribben niet meer goed kunt voelen. Zeker pups van rassen die gevoelig zijn voor groeistoornissen van het skelet moet aan de magere kant opgroeien.

Industriële voeders
Industriële voeders kunnen naargelang het vochtgehalte in 3 groepen onderverdeeld worden: nat, half-nat en droogvoeders. Natte voeders bevatten 70-85% water. Door het hoge vochtgehalte zijn ze aantrekkelijk voor de neus van de hond maar gevoelig voor bederf. De kwaliteit is moeilijker te handhaven dan bij droge voeders. Ook het transport is nadelig voor het milieu en voor de eigenaar: vier maal zoveel volume moet worden versleept door de eigenaar. Ook is deze voeding relatief duur.

Half-natte voeders zijn de zogenaamde tartaarachtigen, droog genoeg om niet in blik te hoeven worden verpakt. Op de Nederlandse markt is slechts 1 bekend merk verkrijgbaar. Het kent geen specifieke voordelen, de acceptatie is wel iets beter maar het is ook weer gevoeliger voor bederf door het hogere vochtgehalte. Diepvriesvoeders zouden vanwege het vochtgehalte ook in deze categorie geplaatst kunnen worden.

Droogvoeders zijn relatief het meest voordelig en zijn vrij ongevoelig voor bederf door schimmel en dus lang houdbaar. Door het specifieke fabricageproces is de kwaliteit makkelijker constant en op een hoger niveau te handhaven. Dinners behoren technisch gezien tot de droogvoeders totdat ze aangemaakt zijn met water, dan zijn ook deze voeders gevoelig voor bederf.

Wil men voeders onderling kunnen vergelijken dan moet eerst alles naar droge stof (= product zonder water) omgerekend worden.

De kwaliteit van voeders is zeer moeilijk te beoordelen. De verpakking verstrekt onvoldoende informatie en mag geen kwaliteitsclaims bevatten. Het is dus een kwestie van vertrouwen en eventueel informatie opvragen bij de producent. De hoeveelheid geproduceerde ontlasting zegt wel iets over de kwaliteit: hoe meer ontlasting hoe matiger de kwaliteit. Uitgezonderd de vezelrijke voeders zoals vermageringsdiëten, "light-voeders", voeding voor de oudere hond, vermageringsdieet en dieet voor suikerziektepatiënten.

Kwaliteit van voeding
Voor de uiteindelijke kwaliteit van het voeder zijn een aantal zaken van groot belang: de verteerbaarheid, de biologische waarde (mate waarin de nutriënten ingebouwd kunnen worden in de weefsels), het productieproces en de omstandigheden waaronder de voeding bewaard wordt tot het moment van consumptie.

Kwaliteitsniveaus worden met verschillende termen aangeduid. Op dit moment wordt het aanbod onderverdeeld in superpremium, premium, producten voor het middensegment en producten voor het eco-segment. Met deze aflopende kwaliteit daalt ook de prijs per kilogram.

Topkwaliteit kan slechts door die fabrikanten worden geleverd die kunnen beschikken over de beste grondstoffen, een goede research en een technologisch hoogstaand productieproces.

De eerste bedreiging is oxidatie van de ingrediënten. Licht, zuurstof en warmte bedreigen de kwaliteit van de voeding. Antioxidanten bewijzen daarom goede diensten en ook de gebruiker moet zorgen voor een hygiĆ«nische behandeling van het voer. Een goede kwaliteit voeding is verpakt in een lucht- en lichtdikte zak, bevat een batchcode en een houdbaarheids- en/of productiedatum.

Fysiologische stadia
Een goede voeding is zo nauwkeurig mogelijk aangepast aan het fysiologisch stadium waarin een hond verkeert. Het fysiologisch stadium bepaalt tenslotte de behoeften van de hond.

Een hond in de groei moet veel weefsels aanzetten en heeft dus veel meer bouwstoffen nodig dan een volwassen hond. Al deze groeiprocessen vergen veel energie dus ook de energiebehoefte is groot. Afhankelijk van de grootte van de hond neemt de eigenlijke groei zo'n 7 tot wel 18 maanden in beslag. Pups van een aantal (meestal grote) rassen lopen een sterk verhoogde kans op botgroeistoornissen en moeten daarom een speciaal aangepaste voeding krijgen. Ook is het van groot belang om deze pups tijdens de groeiperiode slank te houden!

Voortplanting en lactatie vergen veel van het moederdier en gezien de productie van nakomelingen en liters melk is het logisch dat de voerbehoefte sterk toeneemt. Vanaf de 6e week van de dracht moet de voergift dan ook aangepast worden.

Geringe tot hoge activiteit kost ook meer energie. De grotere belasting van het spierweefsel zorgt er ook voor dat er meer weefsel "gerepareerd" moet worden. Ook het bloed "slijt" meer zodat voor voldoende aanmaak meer bouwstoffen zijn vereist. Ook huisvesting in een buitenkennel kan al tot een verhoogde behoefte leiden door een sterker warmteverlies of meer activiteit door de buitenhuisvesting.

Door de behoeften van de hond in verschillende fysiologische stadia goed te bestuderen is het mogelijk een voer te ontwikkelen dat zo nauwkeurig mogelijk voldoet aan de specifieke eisen onder die bepaalde omstandigheden. Het is logisch dat dergelijke voeders meer research en kwalitatief hoogstaande grondstoffen vereisen, iets wat dan weer tot uitdrukking komt in de hogere prijs van het voer. Een adequate voeding echter zorgt weer voor een optimale gezondheid en weerstand zodat het vaak de prijs dubbel en dwars waard is. Naast het fysiologisch stadium is ook de grootte erg van belang. Bij rashonden ligt deze natuurlijk vast en bij kruisingen is de grootte afhankelijk van de voorouders. Onderzoek heeft vele verschillen aangetoond tussen grote en kleine honden. Zowel in de gevoeligheid voor aandoeningen als verschil in anatomie en fysiologie. De best gedifferentieerde voeders zullen rekening houden met deze verschillen. Om enkele voorbeelden te geven van deze fysiologische verschillen tussen grote en kleine honden(rassen):



Rassen zijn natuurlijk gebonden aan een bepaalde lichaamsgrootte en hebben daarnaast nog specifieke eigenschappen qua vacht of misschien rasgebonden aandoeningen. Zo ontstaan er rasspecifieke voedingen die gebaseerd zijn op de speciale voedingsbehoeften van een ras en bovendien bevatten deze voedingen tal van preventieve maatregelen die de hond helpen om rasgebonden aandoeningen te voorkomen. De eerste "rasvoedingen" zijn reeds in Nederland verkrijgbaar en het aantal zal zeker toenemen.

Toegepaste voeding
De laatste jaren wordt steeds meer aandacht besteed aan het preventieve effect dat voeding kan hebben. Daartoe worden bepaalde stoffen toegevoegd aan de voeding om bijvoorbeeld vet beter te verbranden (L-carnitine), diarree te helpen voorkomen bij puppies (zeoliet), gewrichtskraakbeen te ondersteunen (glucosamine en chondroïtinesulfaat) en zo zijn nog meer voorbeelden te noemen. Op deze manier levert de voeding een belangrijke bijdrage aan de gezondheid van de hond.

Enkele belangrijke richtlijnen
Algemeen
Koop voeding in een onbeschadigde verpakking en laat u door deskundigen (dierenarts, dierenspeciaalzaak of fokker adviseren) Een grootverpakking kopen vanwege het financiële voordeel kan maar zorg dan voor een voerton. Een weekvoorraad in een blik of emmer en de rest in de voerton op een donkere koele plaats. Steeds het laatste restje opmaken of weggooien en ton reinigen!

Pupvoeding
Koop de meest geschikte voeding die voor uw pup bestaat. In de groeiperiode wordt de basis gelegd voor het latere leven en de voeding speelt hier een belangrijke rol in. Geef pupvoeding op zijn minst zo lang als de pup lengtegroei vertoont (6 tot wel 15 maanden afhankelijk van het ras). Behoort de pup tot een ras dat gevoelig is voor groeistoornissen geef dan een voeding die speciaal voor deze pups is ontwikkeld om de kans op problemen zo klein mogelijk te houden.

Volwassen hond
Kies een voeding die bij uw hond het beste past en pas de hoeveelheid aan de voedingsconditie aan.

Drachtige hond
Pas vanaf de 6e week van de dracht gaat de voerbehoefte van de teef stijgen. Gezien de grote variatie van pupvoeders zijn deze niet altijd meer geschikt voor het moederdier in de laatste fase van de dracht of in de lactatieperiode. Laat u tijdig informeren over welke voeding voor uw teef geschikt is.

Oudere hond
In de voedingsbenadering voor de oudere hond bestaat veel verschil. Wetenschappelijk gezien heeft de oudere hond behoefte aan een hoog verteerbare voeding, wat meer vezels om de oudere darm te stimuleren, een normaal eiwitgehalte met een hoge biologische waarde en liefst ondersteunende maatregelen voor het hart, het skelet en de weerstand.